Les buiten de les

Bij les geven denk je spontaan aan leerkrachten, kleuterleidsters, lectoren, professoren… Ik geef nu les aan het departement lerarenopleiding van de Hogeschool Gent en al mijn studenten willen graag van les geven hun beroep maken. Maar er is meer. Hoeveel mensen moeten we daar bijtellen die lesgeven in hun vrije tijd?

De meesten doen dit kosteloos, uit engagement en vol goede wil. Zij hebben vaak geen opleiding gekregen in het “lesgeven”. Het is pas sinds onderwijzen mijn beroep is, dat ik ben gaan nadenken over al die lesgevers buiten het traditionele onderwijssysteem.

Soms sta ik versteld bij het gebrek aan regelgeving. Afhankelijk van waar de lessen doorgaan, worden soms wel regels opgelegd, maar het is niet absoluut. Zo zou iedereen naar mijn gevoel die “sportles” geeft, een minimum aan kennis moeten opbouwen rond bewegen. Ik denk dan aan een combinatie van algemene kennis en sport specifieke kennis (een duiker verschilt van een voetballer). Maar ook eerste hulp zou een absolute noodzaak moeten zijn. Je kan geen zwembad huren zonder een redder in de buurt, maar er staat geen maat op het les geven in voetbal, basketbal, gevechtsporten etc.

En dan is er nog het pedagogische aspect. Les geven houdt ook een bepaalde verantwoordelijkheid in en is een vorm van macht. Als de trainer uw kind niet laat mee voetballen, dan heb je als ouder daar weinig bij in te brengen. Zo iemand kan een wereld van verschil maken in het leven van een kind. Zelfs verantwoordelijk zijn voor het stopzetten van een bepaalde activiteit.

Niet alleen kinderen sporten. Vorig jaar gaf ik zelf ei zo na mijn prille duikcarriëre op. Nog wat onwennig (pak, water, materiaal) diende ik een duikproef af te leggen. Ik was nog te druk met mezelf en alles regelen en deed daarbij een aantal foute handelingen. Na de 2e poging zei de duikassistent: “nog ene keer, en je bent gebuisd”. Ik zou die avond niet slagen voor de proef. De keren nadien zou het ook niet lukken. Totale demotivatie was het gevolg. Als nieuwbakken leerkracht besloot ik te analyseren wat er fout was gegaan.

De instructeurs hadden één ding gemeen: ze kenden hun vak (duiken), maar omgaan met leerlingen hebben ze nergens geleerd (of te weinig). Dus werd er les gegeven binnen het kader dat ze wel kenden: de “wij stoere mannen wereld”.

Ik ben nu zelf in opleiding als duik-assistent, nadat ik besloot om van duikschool en duikinstructeur te wisselen. Hoe triviaal het voorval ook mag zijn, het heeft mij doen nadenken over hoe je met leerlingen moet omgaan, met motiveren en met examineren. En niet alleen onder water, ook binnen mijn eigen onderwijs opdracht.

Lesgeven is zo veel meer dan alleen inhoud overbrengen en vaardigheden aanleren. Daar zou iedereen zich van bewust moeten zijn. Of je nu wiskunde, bloemschikken of surfles geeft.

Deze post werd oorspronkelijk geschreven en gepost op Edublogs.be.

U zegt?
  1. Huug says:

    Kijk, zo een dingen maken me woest. Ik heb mijn duikbrevet(ten) gehaald in Egypte en ik kan je zweren dat ik ze daar niet ‘gekocht’ heb. Als iets niet ging dan zei mijn instructeur: probeer het nog een keer… en nog een keer… en nog een keer. En tot ik het kon. En dan deden we die oefening nog eens, een keer of twee, drie, tot ik het cht wl zeker kon. Ik was gemotiveerd, dat is natuurlijk ook wel iets. Anderzijds. Er zat iemand in onze groep die dacht dat hij dat rap eens zou kunnen halen. Dat was dus na twee dagen (van de vier) dikke dg. Hij kreeg zelfs zijn geld terug, stel je voor ! Maar die bekrompen, bekloten mentaliteit van hier, aarg, daar krijg ik echt wel de sesskes van.

  2. LVB says:

    Gebrek aan regelgeving? Volgens mij heeft de staat niet het recht om regels op te leggen aan activiteiten die niet door de staat gesubsidieerd worden of die geen aanleiding geven tot door de staat erkende diploma’s.

    Cursussen die puur in het kader van vrijetijdsbesteding worden gegeven, zijn priv-dienstverlening, priv-relaties tussen burgers dus, waarmee de staat zich niet te moeien heeft en dus ook geen regels op te leggen heeft.

    Ik ben het met je eens dat er wat schort aan de kwaliteit van sommige opleidingen. Maar kwaliteit moet niet door de staat opgelegd worden, maar komt tot stand via concurrentie en transparantie.

  3. Smetty says:

    @Luc: Ja en neen. Ik ben zeker voorstander van het principe: hoe minder regels, hoe beter. En er zijn duizenden cursussen op te noemen waar de overheid geen regels moet/mag opleggen.

    Ik laat het pedagogische aspect even buiten beschouwing.

    Ik blijf het onverantwoord vinden dat iedereen zomaar bewegingsactiviteiten kan geven. Meer bepaald om 2 redenen:

    1) Voor fouten die hierbij gemaakt worden, moet naast het slachtoffer ook de maatschappij opdraaien. Ik denk aan blessures, verkeerder trainingen, dieten die opgelegd worden enz. Wie draait daar mee voor op?
    2) Eerste-hulp-bij-ongeval zou een verplichting moeten zijn. Ik denk aan basiskennis EHBO, weten hoe je moet omgaan met een ongeval, materiaal bij hebben.

    Ik mag niet “kinesist” aan mijn deur hangen, maar mag morgen wel eender welke ploeg gaan trainen. De betere sportzaken hebben waarschijnlijk goed opgeleid personeel in dienst. Maar helaas zal concurrentie niet helpen bij al die andere waar er geen concurrentie speelt. En ook daar hebben mensen recht op lesgevers die een minimum aan kennis hebben in het belang van hun eigen welzijn en veiligheid.

    Straks gaan ze mij nog in dienst nemen bij BLOSO zie 🙂

  4. Dimi says:

    Natuurlijk kan de staat regels opleggen om de kwaliteit van de trainingen in sportclubs te verhogen. Zowat alle clubs ontvangen immers geld van de staat : een rechtstreekse subsidie van de gemeente (vaak indien erkend in de plaatselijke sportraad) of een onrechtstreekse subsidie (bv. door het gratis of tegen korting ter beschikking stellen van accomodatie voor jeugdspelers). Daarnaast krijgen alle gefederaliseerde sportbonden subsidies van de Vlaamse overheid. In vele gevallen zou de staat dus best kunnen opleggen hoe de door haar gegeven gelden besteed worden.

    Anderzijds zijn steeds meer sportfederaties zich bewust van het feit dat het goedbedoelde amateurisme van trainers en coaches niet langer meer kan en dat er diploma’s nodig zijn.

    Zo is in het basketbal een stappenplan uitgewerkt waardoor tegen 2006-2007 iedere coach (uitgezonderd de laagste provinciale senioresreeksen) minstens een C-diploma (initiatordiploma BLOSO) zal moeten kunnen voorleggen. Voor jeugdploegen is dat al vanaf volgend seizoen het geval. Voor het behalen van dat diploma moet de initiatorcursus bij BLOSO gevolgd worden. Die bestaat ondermeer ook uit 16 uur (op een totaal van 56 uur) didactiek en veilig sporten (curatief en preventief).